zaterdag 18 februari 2012

Ik ga weer op de bank zitten. Ik pak een kussen en druk het tegen mijn buik aan. Alec legt zijn hand op mijn schouder. 'Wie was dat?' Ik haal mijn schouders op. 'Ze zeggen dat praten oplucht.' Ik veeg een traan van mijn wang. 'Hé, kom op.' Hij kruipt tegen me aan en aait zachtjes mijn hoofd. Onder normale omstandigheden zou ik het nu uit willen gillen, maar daar heb ik nu geen behoefte aan. 'Het was mijn moeder. Ze komen twee dagen later thuis en...' Ik zwijg. 'Zullen we die film gewoon aan zetten?' vraag ik vervolgens. 'Ik kan wel wat afleiding gebruiken.' Alec glimlacht en zet de film aan. Hij blijft mijn hoofd zachtjes aaien. Ik weet niet hoe lang we zo nog op de bank hebben gezeten, maar ik was te moe om de film af te kijken.

 Het is maandag. Mijn ouders hadden gisteren thuis moeten komen, maar ze waren er nog niet. Ik had ze niet kunnen bellen, want de telefoon deed het niet meer. Best logisch als je hem in een glas water stopt. Ik fiets het schoolplein op en zet mijn ik-ben-heel-vrolijk-want-mijn-ouders-zijn-wél-thuis-gekomen-gezicht op. Ik zal op school niemand laten merken dat ze niet thuis zijn gekomen. Misschien vertel ik het Veerle wel, maar zij is dan ook de enige. De bel gaat en ik ren naar de deur. Ik heb geen jas aan, want het is al warm genoeg buiten. Dat komt goed uit, want dan kan ik gelijk doorrennen naar het goede lokaal. Misschien ga ik vanmiddag wel even naar de Grote Plas om te zwemmen. Ik heb het grootste deel van mijn huiswerk gisteren al gemaakt omdat ik te depressief was om iets anders te doen. Dus de tijd heb ik. Ik kom nog net op tijd het juiste lokaal binnengerend en plof naast Veerle neer. O, ik heb haar zó veel te vertellen...

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen