donderdag 30 augustus 2012

Ik zit zwijgend tegenover Veerle aan tafel. Ze hangt boven een bakje yoghurt met muesli. ‘Wat is er aan de hand?’ Veerle kijkt me met doordringende ogen aan. Ik haal mijn schouders op. ‘Ik…’ Ik houd mijn mond en neem een hap. ‘Je gaat me niet zeggen dat je niet in het voorprogramma van Joyce wilt zingen, hè? Dan kan ik niet zeggen dat mijn beste vriendin dat gaat doen!’ Ik glimlach. Echt iets voor Veerle. ‘Nee, ik denk dat ik dat wel wil doen.’ Veerle haalt opgelucht adem. ‘Goed zo, maar vertel, wat is er dan?’ Ik bijt even op mijn lip. ‘James zei vanochtend dat als ik alles over Alec zou weten, ik me niet schuldig zou voelen over…’ Ik zwijg. Ik kan het Veerle niet vertellen. Ik kan Veerle toch niet vertellen over mij en James?

Zwijgend staren Veerle en ik elkaar aan. Ik weet dat Veerle merkt dat ik haar niet wil vertellen wat me dwarszit, maar ik zie ook nog iets anders. Alsof ze het al weet. Ze glimlacht treurig. ‘Je hebt met James gezoend. Hij vertelde het me. Nou ja, eigenlijk heb ik het uit hem gevist.’ Ik slik en laat mijn hoofd in mijn handen zakken. Veerle staat op en gaat naast me zitten. Ze slaat haar armen om me heen. ‘Lieverd.’ Ik zucht. ‘Ik weet niet wat er gebeurde, Veerle, echt niet. Het gebeurde gewoon.’ ‘Het is goed.’ ‘Nee, dat is het niet! Ik wilde het Alec vertellen, maar ik kon het gewoon niet. Ik fietste erheen, maar het kwam gewoon niet over mijn lippen.’ ‘Het maakt niet zoveel uit.’ ‘Jawel, Veerle.’ ‘Misschien heeft James wel gelijk. Ik zou niet weten wat hij bedoelt, maar hij zou het niet zonder reden zeggen.’

Ik been op en neer in mijn kamer. Mijn moeder is al twee uur aan het bellen met Jelle of Diederik. Ik weet niet welke van de twee. Ze wil niet dat ik in het voorprogramma van Joyce zing. Ze weigert het gewoon toe te laten. Ik open de deur en luister of mijn moeder nog bezig is. Ze gaat nog steeds te keer. ‘Nee, nee en nog eens nee! Ik wil het niet! Ik verbied het!’ Ze zwijgt even. ‘Wat kan het mij nou schelen dat mijn dochter niet in haar voorprogramma zingt?! We verzinnen wel iets, dat ze ziek is geworden, ofzo!’ Ik sluit mijn deur weer. Ik loop naar het raam. Buiten schijnt de zon. Zal ik een stukje gaan fietsen? Nog voordat ik naar de deur kan lopen, vliegt die al open. Mijn moeder staat woedend in de deuropening. ‘Voor jou,’ zegt ze koel terwijl ze haar mobiel naar me toesteekt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen